ECLI:NL:CRVB:2020:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in tweede spoor
Appellante had een werknemer die zich wegens fysieke problemen ziek meldde en gedeeltelijk hervatte in passend werk bij de eigen werkgever. Na een eerstejaarsevaluatie werd geadviseerd een tweesporenbeleid te voeren, waarbij naast werkhervatting ook re-integratie bij een andere werkgever werd nagestreefd.
De bedrijfsarts adviseerde eind 2015 om het tweede spoor daadwerkelijk te starten vanwege overschrijding van de belastbaarheid bij het kassawerk. Appellante startte dit niet tijdig op, waardoor re-integratietijd verloren ging. Na volledige uitval in april 2016 werd slechts een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd, zonder concrete tweede spoor activiteiten.
Het UWV legde daarom een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende had gedaan om het tweede spoor te starten en dat er geen deugdelijke grond was voor het uitstel.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige en actieve inzet van het tweesporenbeleid bij re-integratie en bevestigt de wettelijke verplichtingen van werkgevers onder de Wet WIA en het Burgerlijk Wetboek.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor wordt bevestigd.