Eiseres verzocht de gemeente Den Haag om een urgentieverklaring, welke bij besluit van 9 oktober 2019 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de gemeente dit besluit op 26 maart 2020 ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit. De rechtbank hield een zitting via videoverbinding op 12 januari 2021 en deed op 5 februari 2021 een tussenuitspraak waarin een motiveringsgebrek werd vastgesteld.
De rechtbank gaf de gemeente de mogelijkheid het gebrek te herstellen, wat zij deed door een aanvullende motivering in te dienen. Eiseres reageerde hier schriftelijk op. De rechtbank oordeelde dat de aanvullende motivering tijdig mocht worden betrokken en dat het eerdere oordeel over te klein wonen niet werd herzien.
De rechtbank concludeerde dat de motivering omtrent de hardheidsclausule nu voldoende was en dat de gemeente in redelijkheid kon besluiten de urgentieverklaring niet toe te kennen. Er werd geen causaal verband vastgesteld tussen de woonsituatie en de gezondheidsproblemen van eiseres. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens het eerdere motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Daarnaast werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.