ECLI:NL:RBDHA:2021:3687
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen
Eisers, een gezin met Kirgizische nationaliteit, hebben hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen ingediend, maar deze is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het niet voldoen aan de voorwaarden van de regeling, met name het onttrekken aan toezicht gedurende een periode van meer dan drie maanden en het niet beschikbaar zijn voor vertrek.
De rechtbank stelt vast dat eisers sinds oktober 2016 de opvanglocatie van het COA met onbekende bestemming hebben verlaten en gedurende ongeveer twee jaar en vier maanden buiten beeld zijn geweest van de IND, DT&V, COA en AVIM. Hierdoor voldoen zij niet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling. Eisers betogen dat zij wel beschikbaar waren via hun gemachtigde en dat eiseres 1 gedurende deze periode naar school ging, maar de rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om aan de voorwaarden te voldoen.
Eisers maken ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het recht op respect voor het privéleven (artikel 8 EVRM Pro), onder meer op basis van een gedragswetenschappelijke rapportage die de gevolgen van uitzetting voor eiseres 1 beschrijft. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het voordeel van de Staat uitvalt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen wordt ongegrond verklaard.