ECLI:NL:RVS:2017:512
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende medewerking aan vertrek bij alleenstaande minderjarige vreemdeling
De staatssecretaris wees de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling af wegens onvoldoende medewerking aan vertrek. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de rol van de voogd niet zonder meer aan de vreemdeling kon worden toegerekend en dat de staatssecretaris de vreemdeling had moeten horen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de vreemdeling, ook als minderjarige onder voogdij, aan de cumulatieve voorwaarden van de Regeling langdurig verblijvende kinderen moest voldoen, waaronder actieve medewerking aan vertrek. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de voogd als wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de minderjarige moet behartigen, ook ten aanzien van terugkeer, en dat het handelen van de voogd aan de vreemdeling mag worden toegerekend.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris terecht had vastgesteld dat de vreemdeling zich niet tot de IOM had gewend en niet bereid was tot terugkeer. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro, waarbij rekening werd gehouden met de banden van de vreemdeling met Afghanistan en zijn medische situatie, leidde niet tot een andere uitkomst. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond wegens onvoldoende medewerking aan vertrek.