ECLI:NL:RBDHA:2021:3705
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op opvang voor vreemdeling tijdens coronacrisis volgens Vreemdelingenwet en Rva
Eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, vroeg opvang aan op grond van rechtmatig verblijf volgens artikel 8 Vreemdelingenwet Pro 2000, na bezwaar tegen afwijzing van zijn verblijfsvergunning wegens tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder weigerde opvang omdat eiser geen asielzoeker of gelijkgestelde vreemdeling is volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva).
De rechtbank oordeelt dat eiser zijn rechtmatig verblijf heeft verloren doordat hij met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken, waardoor zijn verblijf op grond van artikel 8, onder m, Vw is geëindigd. De rechtbank volgt eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak dat vertrek uit opvang zonder toestemming leidt tot verlies van rechtmatig verblijf. Ook de coronamaatregelen kunnen niet gelijkgesteld worden met een artikel 64-situatie die medisch reizen onmogelijk maakt.
Eiser voerde aan dat hij recht op opvang heeft vanwege de coronacrisis en mensenhandelachtergrond, maar de rechtbank acht dit onvoldoende onderbouwd. De brief van de Staatssecretaris en het beleid voor slachtoffers van mensenhandel leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die opvang rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor opvang wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en geen gelijkstelling van coronamaatregelen met artikel 64 Vw.