ECLI:NL:RBDHA:2021:3780
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bron van inkomen en stakingsresultaat in belastingzaak tapijt- en vinylsector
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of eiser, actief in de tapijt- en vinylsector, in 2016 nog een bron van inkomen had en hoe het stakingsresultaat moet worden berekend. Verweerder legde een aanslag IB/PVV op waarbij werd uitgegaan van staking per 31 december 2016 en een stakingsverlies. Eiser betwistte dit en stelde onder meer dat de onderneming niet was gestaakt en dat de waarde van de voorraad en het pand lager moesten worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen feiten aannemelijk heeft gemaakt die een objectieve voordeelsverwachting in 2016 rechtvaardigen, mede gelet op de jarenlange negatieve resultaten sinds 2012. De economische crisis en andere omstandigheden rechtvaardigen geen andere conclusie. De rechtbank achtte de waarde van de voorraad op €5.000 aannemelijk, gelet op de ouderdom en verkoop in 2019, en wees het hogere standpunt van verweerder af. De WOZ-waarde van het pand uit 2018 werd als meest passend geacht.
Verder verwierp de rechtbank de vordering tot vergoeding van misgelopen huurinkomsten en liquidatiekosten wegens onvoldoende onderbouwing. Het beroep werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraak op bezwaar.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag verminderd met een voorraadwaarde van €5.000.