Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 29 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 juni 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Overwegingen
71weken na de rechtbankuitspraak gedaan.
“de IND na het vernietigen van het eerste besluit een nieuw besluit moest nemen en vanaf dat moment de besluitvormingsprocedure weer open staat en het de IND vrijstaat een nieuw standpunt in te nemen”volgt de rechtbank dit ook niet. Verweerder is immers in voorgaande uitspraken steeds opgedragen met inachtneming van die uitspraken opnieuw te beslissen. In de onderhavige procedure heeft bovendien, zoals eiser terecht heeft gesteld, te gelden dat alle -relevante- feiten en omstandigheden die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen reeds bekend waren na de gehoren van eiser in 2017. Verweerder heeft in zijn drie besluiten en de aanvullende motivering na de tussenuitspraak van rechtbank Utrecht steeds andere tegenwerpingen geformuleerd. De enige tegenwerping die niet reeds in het besluit van 27 september 2017 kon worden geformuleerd ziet op de inmiddels bereikte meerderjarigheid. Anders dan verweerder kennelijk veronderstelt kan verweerder niet steeds op grond van het geloofwaardig geachte asielrelaas nieuwe argumenten aan de afwijzing ten grondslag leggen. Alle stappen in de beoordeling van het verzoek om bescherming hadden in dit eerste besluit van 27 september 2017 gezet kunnen en ook gezet moeten worden. Eiser heeft alle argumenten waarom hij voor verblijfsaanvaarding in aanmerking moet worden gebracht reeds in de (eerste) zienswijze van 26 september 2017 aangedragen en onderbouwd. Verweerder heeft er voor gekozen om steeds maar deels in te gaan op deze argumenten en daarmee belet dat aanstonds de asielaanvraag van eiser in volle omvang is beoordeeld. Het gevolg van deze keuze is een onverantwoord en onaanvaardbaar tijdsverloop in de procedure die ziet op een eerste asielaanvraag van een zwaar getraumatiseerde 16-jarige jongen.
geen enkel verband met het arrest TQ en de uitspraak van de rechtbank van 15 maart 2021(ECLI:NL:RBDHA:2021:2376). Het gaat dus niet om de gehoudenheid voor verweerder om een verblijfsrecht op reguliere gronden toe te moeten kennen omdat verweerder in het eerste besluit zelf reeds heeft vastgesteld dat voor eiser geen adequate opvang bestond. Aan die beoordeling komt de rechtbank in deze zaak niet toe omdat eiser wel in aanmerking komt voor een asielvergunning en dit ten onrechte en bij herhaling niet is onderkend door verweerder.
3. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. De Afdeling wijst ter vergelijking op de uitspraak van 1 juli 2020,
(…)
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris moet opnieuw op de aanvragen beslissen. De Afdeling geeft de staatssecretaris, gelet op het inmiddels ontstane tijdsverloop sinds de datum van de aanvragen, in overweging deze inhoudelijk in behandeling te nemen en niet langer vast te houden aan overdracht van de vreemdelingen aan Bulgarije.
(…)
-gelet op het tijdsverloop sinds de asielaanvragen-niet langer een Dublinclaim tegen te werpen. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat het gaat om besluiten van verweerder van 29 augustus 2019 en een rechtbankuitspraak van 27 september 2019. De zaak betreft de asielprocedures van twee broers waarvan één broer op het moment van de asielaanvraag minderjarig was en de andere broer 28 jaar oud was. De asielaanvragen zijn gedaan op
5 februari2019en de Afdeling geeft verweerder in een uitspraak van
21 december 2020in overweging vanwege het tijdsverloop sinds de datum van de aanvraag niet langer vast te houden aan de Dublinoverdracht aan Bulgarije. De Afdeling oordeelt (thans) nog steeds dat verweerder ten aanzien van Bulgarije zowel ten aanzien van statushouders als ten aanzien van Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan zodat dit “advies” enkel op het tijdsverloop moet zijn gebaseerd. De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 1 in de inleiding bovendien expliciet dat deze uitspraak
“gaat over de vraag of de staatssecretaris het belang van de minderjarige vreemdeling deugdelijk heeft afgewogen”bij zijn beslissing.
26 februari2017en was eiser ten tijde van de asielaanvraag dertien jaar, twee maanden en eenentwintig dagen oud. De Afdeling kiest er evenwel voor om bijna vier jaar na deze asielaanvraag te volstaan met het vernietigen van de uitspraak en verweerder in de gelegenheid te stellen wederom zelf te beslissen op de aanvraag en daarvoor een termijn van acht weken te gunnen. Het is de rechtbank overigens ambtshalve bekend dat in die zaak verweerder tot vergunningverlening is overgegaan op 6 januari 2021. Gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de uitspraak van de Afdeling en de uiteindelijke inwilliging kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat verweerder, anders dan de Afdeling heeft overwogen, zich voor deze uitspraak van de Afdeling al op het standpunt had gesteld dat eiser wél voor vergunningverlening in aanmerking moest worden gebracht maar verweerder dat zelf wilde beslissen en enkel van de Afdeling een bevestiging wilde krijgen dat de rechtbank niet snel bevoegd moet worden geacht om in vreemdelingenzaken zelf te voorzien. De Afdeling heeft verweerder deze bevestiging in deze uitspraak gegeven.
“de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat de staatssecretaris dat besluit te laat heeft genomen en de minderjarige vreemdeling daardoor ernstig in zijn belangen is geschaad.”
“of de staatssecretaris het belang van de minderjarige vreemdeling deugdelijk heeft afgewogen”gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in die procedure de enige grief tegen de rechtbankuitspraak en die ziet op het zelf voorzien had verworpen of tenminste verweerder
“had meegegeven gelet op het tijdsverloop”tot een inwilliging over te gaan. De Afdeling heeft blijkens die uitspraak het tijdsverloop van bijna vier jaar in de procedure van de tijdens de uitspraak van de Afdeling nog steeds minderjarige vreemdeling voldoende gecompenseerd geacht door aan de nieuw te nemen beslissing de verbeurte van een dwangsom te verbinden.
65 Niettemin heeft de Uniewetgever, door te bepalen dat de rechterlijke instantie die bevoegd is om uitspraak te doen op een rechtsmiddel tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming indien van toepassing „de behoefte aan internationale bescherming” van de verzoeker moet onderzoeken, met de vaststelling van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 deze rechterlijke instantie, indien zij van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de bevoegdheid willen verlenen om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek – dat wil zeggen een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van deze gegevens – een bindende uitspraak te doen over de vraag of deze verzoeker voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2011/95 om internationale bescherming te krijgen.
66 Uit het voorgaande volgt dat – zoals de advocaat-generaal in de punten 102 tot en met 105, 107 en 108 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt – wanneer een rechterlijke instantie uitputtend uitspraak doet op het rechtsmiddel van een verzoeker om internationale bescherming en daarbij een geactualiseerd onderzoek van „de behoefte aan internationale bescherming” van deze verzoeker verricht tegen de achtergrond van alle relevante feitelijke en juridische gegevens, waarna zij tot de overtuiging komt dat deze verzoeker overeenkomstig de criteria van richtlijn 2011/95 de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus moet krijgen om de reden die hij ter staving van zijn aanvraag aanvoert, en wanneer deze rechterlijke instantie de beslissing van het semirechterlijke of administratieve orgaan dat deze aanvraag had afgewezen nietig verklaart en het dossier naar dit orgaan terugverwijst, dit orgaan gebonden is aan deze rechterlijke uitspraak en de daaraan ten gronde liggende motivering, tenzij feitelijke of juridische gegevens zich aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen. In geval van een dergelijke terugverwijzing beschikt dit orgaan dus niet langer over een discretionaire bevoegdheid bij de beslissing om al dan niet de bescherming toe te kennen die is gevraagd op dezelfde gronden als die welke aan deze rechterlijke instantie zijn voorgelegd, want anders zouden artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest, alsmede de artikelen 13 en 18 van richtlijn 2011/95 hun nuttig effect verliezen.
(…)
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op eiser binnen twee weken in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 3 juni 2017;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-