ECLI:NL:RBDHA:2021:4808
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op uitstel van vertrek wegens onvoldoende medische zorgtoegankelijkheid in Irak
Eiser, een Iraakse vreemdeling, verzocht om uitstel van vertrek naar Irak op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat hij vanwege medische redenen niet terug kan keren. Verweerder wees dit verzoek af, gesteund op een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat de benodigde medische zorg en medicatie in Irak beschikbaar zijn en dat eiser in staat is te reizen met medische begeleiding.
Eiser voerde aan dat de medische zorg feitelijk niet toegankelijk is omdat hij uit Mosul komt en de genoemde zorginstellingen in Bagdad liggen, ruim 400 km verwijderd, en hij als Soenniet geen toegang tot Bagdad heeft. Ook stelde hij dat hij afhankelijk is van thuiszorg die in Irak ontbreekt en dat de medicatie onbetaalbaar is.
De rechtbank oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig en concludent is en dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd. De stellingen van eiser waren onvoldoende onderbouwd en hij kon niet aannemelijk maken dat de zorg niet toegankelijk of onbetaalbaar is. Ook was zijn opname in een kliniek na het bestreden besluit en daarmee buiten de toetsingsperiode.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen nader onderzoek hoefde te doen en dat uitzetting niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek is ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat noodzakelijke medische zorg in Irak niet toegankelijk is.