ECLI:NL:RBDHA:2021:5530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 mei 2021
Publicatiedatum
1 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20/7598
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VWEUWet arbeid vreemdelingenVerdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen terugkeerbevel wegens ontbreken actueel en reëel belang

Eiser, een Oekraïense nationaliteit dragende werknemer in dienst van een Pools bedrijf, stelde beroep in tegen een terugkeerbevel van 15 september 2020. Het bevel was uitgevaardigd omdat eiser zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden in Nederland verrichtte. De rechtbank constateerde dat het terugkeerbevel op 16 juni 2020 was uitgewerkt, aangezien eiser hieraan uitvoering had gegeven.

De rechtbank benadrukte dat de bestuursrechter alleen inhoudelijk op een beroep hoeft te beslissen indien er een actueel en reëel belang bestaat. Eiser kon niet aantonen dat hij op dit moment of in de nabije toekomst concrete opdrachten in Nederland zou uitvoeren. Hoewel een gegrondverklaring van het beroep een signaal zou kunnen zijn voor de toekomst, ontbrak het aan een concreet belang.

Daarom oordeelde de rechtbank dat eiser geen belang had bij een inhoudelijke uitspraak en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbevel wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een actueel en reëel belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/7598
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman.

Procesverloop

Eiser heeft op 12 oktober 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 september 2020 (het bestreden besluit).
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Oekraïense nationaliteit te bezitten.
Op 16 juni 2020 is eiser tijdens een controle in het kader van toezicht op naleving van de voorschriften gesteld bij en/of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) werkend aangetroffen. Op die dag is aan eiser het bevel uitgevaardigd (primair besluit) om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van Polen, omdat hij niet beschikte over de juiste documenten voor het verrichten van de werkzaamheden.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij in dienst is bij een Pools bedrijf. Eiser stelt dat hij van dat bedrijf de opdracht heeft gekregen om in Bergen op Zoom bouw- en schilderwerkzaamheden uit te voeren. Hij stelt zich op het standpunt dat hij deze werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van ‘grensoverschrijdende dienstverlening’ in de zin van artikel 56 VWEU Pro [1] en dat de Nederlandse overheid in die situatie geen tewerkstellingsvergunning mag eisen.
4. De rechtbank stelt vast dat het bevel tot onmiddellijke terugkeer naar Polen is uitgevaardigd op 16 juni 2020. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat eiser aan dat terugkeerbevel ook uitvoering heeft gegeven, althans dat hem niet bekend was dat hij dat niet zou hebben gedaan. Dat betekent dat het terugkeerbevel is uitgewerkt en dat roept de vraag op wat eiser met zijn beroep nog kan bereiken.
5. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] , is de bestuursrechter slechts gehouden om een beroep tegen besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft (zie de uitspraak van 28 maart 2012 [3] ). Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.
6. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat een eventuele gegrondverklaring van het beroep een goede les voor verweerder voor de toekomst zou zijn, alsook voor anderen die met een Oekraïens paspoort voor een Pools bedrijf in Nederland komen werken. Desgevraagd heeft hij voorts toegelicht dat eiser nog steeds werkt voor het Poolse bedrijf, dat hij niet uitsluit dat eiser in de toekomst weer naar Nederland wordt uitgezonden om werk te verrichten, maar dat er op dit moment geen concrete opdrachten liggen.
Op basis van hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank niet in welk actueel en reëel belang eiser heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Er is geen concreet zicht dat eiser in de toekomst opnieuw in Nederland te werk wordt gesteld. Ook van ander (concreet) actueel en reëel belang van eiser persoonlijk is de rechtbank niet gebleken. In de omstandigheid dat er anderen onder vergelijkbare omstandigheden in Nederland te werk worden gesteld, ziet de rechtbank onvoldoende reden om voor eiser een procesbelang aan te nemen.
Dat eiser ten gevolge van het bestreden besluit schade zou hebben geleden, is niet gesteld.
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het bestreden besluit.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2021.
De griffier is niet in de gelegenheid
om de uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State