De Stichting Bewust Nederland vorderde in kort geding dat de ministeriële regeling die de mondkapjesverplichting oplegt, buiten werking wordt gesteld. De Stichting stelde dat er geen sluitend wetenschappelijk bewijs is dat mondkapjes bijdragen aan de bestrijding van Covid-19 en dat de regeling disproportioneel inbreuk maakt op grondrechten.
De rechtbank overwoog dat de Staat een ruime beleidsvrijheid heeft bij het nemen van coronamaatregelen en dat het oordeel over noodzaak en proportionaliteit primair aan het politieke domein toekomt. De rechter toetst slechts of de regeling onmiskenbaar onverbindend is, hetgeen niet het geval is. De regeling is gebaseerd op een wettelijke delegatiegrondslag en is aan de Staten-Generaal voorgelegd.
De rechtbank constateerde dat hoewel wetenschappelijke consensus ontbreekt, de Staat zich terecht baseert op adviezen van het OMT, WHO en ECDC die het dragen van mondkapjes als mogelijk effectief beschouwen. De inbreuk op grondrechten is gerechtvaardigd, proportioneel en beperkt tot specifieke publieke binnenruimten en onderwijsinstellingen met uitzonderingen. De vordering wordt daarom afgewezen en de Stichting wordt veroordeeld in de proceskosten.