Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, voormalig medewerker stadsbeheer, ontving een Ziektewet-uitkering die door het UWV werd beëindigd na een eerstejaarsbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat hij niet in staat was de vastgestelde arbeid te verrichten.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar onterecht ongegrond was verklaard en dat het UWV de hoorplicht had geschonden door geen hoorzitting te organiseren, ondanks het verzoek van eiser. Echter, omdat eiser zijn standpunten tijdens de beroepsprocedure alsnog kon toelichten, was er geen sprake van benadeling door deze schending.
Inhoudelijk vond de rechtbank dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig en onderbouwd waren, dat de beperkingen van eiser niet waren onderschat en dat de arbeidsdeskundige functies passend waren. Ook het argument over de Engelse taalvaardigheid voor een functie werd niet gevolgd omdat dit geen andere uitkomst zou geven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser en benadrukte dat eiser binnen zes weken beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard ondanks schending van de hoorplicht, met veroordeling van het UWV in proceskosten.