In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of eiser terecht werd aangemerkt als bestuurder van een auto op 7 januari 2020, toen hij werd betrapt op het gebruik van lachgas achter het stuur. Verweerder, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, legde eiser een medisch onderzoek op vanwege twijfels over zijn rijgeschiktheid.
Eiser voerde aan dat sprake was van persoonsverwisseling en identiteitsfraude, en ontkende bestuurder te zijn geweest. De rechtbank oordeelde echter dat de politieagenten ter plaatse de identiteit van eiser als bestuurder met voldoende zekerheid hadden vastgesteld, mede op basis van het proces-verbaal op ambtsbelofte en de overeenstemming van de pasfoto. De verklaringen van vrienden van eiser werden als onvoldoende objectief beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat het vermoeden van ongeschiktheid voldoende was om het medisch onderzoek op te leggen en dat verweerder daartoe verplicht was. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om het rijbewijs ongeldig te verklaren en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.