ECLI:NL:RVS:2018:3064
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens niet meewerken aan geschiktheidsonderzoek
Appellante werd door het CBR een onderzoek naar haar rijgeschiktheid opgelegd na een politie-mededeling over haar slingerende rijgedrag en vermoedens van ernstig gestoord gedrag. Haar rijbewijs werd geschorst en later ongeldig verklaard omdat zij zonder geldige reden niet verscheen op het psychiatrisch onderzoek. Het CBR weigerde een verklaring van geschiktheid te registreren vanwege het ontbreken van medewerking.
De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht handelde op basis van de politie-mededeling en mutatierapporten, en dat het niet verschijnen op het onderzoek zonder geldige reden tot ongeldigverklaring van het rijbewijs leidde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij medisch geschikt was en dat haar bezwaar tegen het onderzoek haar niet verplichtte tot medewerking.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze argumenten. Het vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigde het onderzoek en het niet meewerken leidde tot ongeldigverklaring. Bezwaar had geen schorsende werking en appellante had geen voorlopige voorziening aangevraagd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het rijbewijs van appellante blijft ongeldig vanwege het niet meewerken aan het geschiktheidsonderzoek.