Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, was vanaf 2 november 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De bewaring werd op 6 april 2021 opgeheven. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanaf 2 maart 2021, de datum waarop het onderzoek in de laatste procedure werd gesloten, en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat eerdere uitspraken de rechtmatigheid van de bewaring tot 2 maart 2021 bevestigden, zodat alleen de periode daarna beoordeeld kon worden. Uit recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bleek dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko, waardoor de bewaring vanaf 2 maart 2021 onrechtmatig was.
De rechtbank wees het verzoek om herziening van eerdere uitspraken af omdat dit buiten het huidige geschil viel. Wel werd een schadevergoeding van €3.600 toegekend voor 36 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en werden de proceskosten van €1.068 aan eiser toegekend.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.A. Schuman op 23 april 2021 en is onherroepelijk.