ECLI:NL:RVS:2021:696
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Marokko
De vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit is in vreemdelingenbewaring gesteld en weigert mee te werken aan zijn uitzetting naar Marokko. De centrale vraag is of er nog zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, aangezien de uitzetting afhankelijk is van de afgifte van een laissez-passer door Marokkaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin geen algemene weigering van medewerking door Marokko werd vastgesteld. De vreemdeling betoogde echter dat er sinds 2020 geen laissez-passers zijn afgegeven en dat de laatste gedwongen uitzetting in 2019 plaatsvond.
Tijdens de zitting lichtte de staatssecretaris toe dat vanwege de coronamaatregelen groepspresentaties van vreemdelingen niet meer plaatsvinden en dat de Marokkaanse autoriteiten geen medewerking verlenen aan dergelijke presentaties. Hoewel vreemdelingen die wel meewerken individueel kunnen worden gepresenteerd, zijn er in 2020 geen laissez-passers afgegeven voor vreemdelingen die niet meewerken.
De Raad van State concludeert dat er sinds lange tijd geen laissez-passers zijn afgegeven en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat dit op korte termijn zal veranderen. Hierdoor ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, waardoor de inbewaringstelling onrechtmatig is. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling is onrechtmatig wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn; de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en een schadevergoeding toegekend.