ECLI:NL:RBDHA:2021:8125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
27 juli 2021
Zaaknummer
21/4310
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 8:81 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor voetbalkooi wegens onvoldoende motivering geluidshinder

De gemeente Den Haag verleende een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een voetbalkooi nabij nieuwbouwwoningen in Scheveningen Haven. Verzoekers, bewoners van deze nieuwbouwwoningen, stelden dat voorafgaand aan het besluit geen onderzoek naar de geluidshinder was verricht en vrezen onaanvaardbare geluidsoverlast.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vergunninghouder al met bouwwerkzaamheden is begonnen en dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het voorkomen van nadelige effecten op hun woon- en leefklimaat. De rechter stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de geluidproductie binnen de gestelde grenzen blijft en dat de verwijzing naar de oude voetbalkooi niet toereikend is, zeker gezien de gewijzigde situatie door nieuwbouw.

Het ontbreken van een deugdelijke ruimtelijke motivering en het niet onderbouwen van het achterwege blijven van nader onderzoek leiden tot de conclusie dat de vergunningverlening niet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de vergunning geschorst tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de omgevingsvergunning voor de voetbalkooi geschorst wegens onvoldoende motivering van de geluidshinder.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4310
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekers] e.a., allen te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
Tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Yildirim).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van gemeente Den Haag (vergunninghouder)
(gemachtigde: R. Vink )

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, aan de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van gemeente Den Haag (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een voetbalkooi
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de omgevingsvergunning.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend
.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2021. Namens verzoekers is [A] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [B] en [C] namens vergunninghouder.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
2.1
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. In Scheveningen Haven is de afgelopen jaren volop ontwikkeld en gebouwd. Eén van deze ontwikkellocaties betreft het vroegere Norfolkterrein (ontwikkellocatie wonen en werken). Hier zijn en worden nieuwbouwwoningen gerealiseerd, waaronder het project ZuidDuin aan de Houtrustweg (99 appartementen en 14 eengezinswoningen). Dit nieuwbouwcomplex ligt op circa 30m afstand van het Natura 2000 gebied. Op het vroegere Norfolkterrein was ook een voetbalkooi gesitueerd die in september 2019 is verwijderd in verband met de herinrichting van de Houtrustweg.
2.2
Het bouwplan, waarvoor de gemeente Den Haag op 24 januari 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend, voorziet in de het plaatsen van een nieuwe voetbalkooi op het terrein bij de Houtrustweg ongenummerd, tegenover [straat] [huisnummer] . De locatie is in de buurt van de oude -gesloopte- voetbalkooi. Ten opzichte van de oude locatie is de nieuwe voetbalkooi verplaatst en zal 40 meter dichter bij de [straat] komen te liggen. De afstand van de voetbalkooi tot de woningen van verzoekers bedraagt circa 37,5 meter. De nieuwe voetbalkooi beslaat een speelterrein van circa 25 meter bij 12,5 meter, dat is omgeven door een draadstalen hekwerk (RWS 316), waarbij gebruik is gemaakt van geluidsarme materialen.
2.3
De aanvraag heeft betrekking op (1) het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en (2) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Verweerder heeft bij de behandeling van de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit § 3.3 van de Wabo gevolgd. Het ontwerpbesluit is met ingang van 12 november 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Bij dit ontwerpbesluit is een ruimtelijke onderbouwing van gemeente Den Haag gevoegd.
2.4
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo verleend.
3.1
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2
Ter zitting is gebleken dat vergunninghouder is aangevangen met de bouwwerkzaamheden; de grond is geëgaliseerd, betonnen segmenten zijn geplaatst en de speelvloer is geasfalteerd. Binnen een week zal de voetbalkooi zijn gerealiseerd. Verzoekers hebben er belang bij om de werkzaamheden wegens gestelde nadelige effecten op hun woon- en leefomgeving te voorkomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hierin een voldoende spoedeisend belang gelegen.
4. Verzoekers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Daartoe voeren zij aan dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek naar de geluidsgevolgen van het gebruik van de voetbalkooi heeft verricht en zodoende het belang van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat niet heeft meegewogen bij de besluitvorming. Verzoekers vrezen dan ook onaanvaardbare geluidhinder bij het gebruik van de voetbalkooi en wijzen daarbij op de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3377 (eerste aanleg) en van 11 maart 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:739 (het hoger beroep). Tevens wijzen zij ter onderbouwing van hun standpunt op een uitspraak van deze rechtbank van 19 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4883, waarin vergelijkbare rechtsvragen aan de orde waren. Tot slot heeft verweerder volgens verzoekers ten onrechte alternatieve locaties voor de voetbalkooi niet in aanmerking genomen. Het bestreden besluit is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.
Ontvankelijkheid
5. Een groot deel van de verzoekers heeft een zienswijze ingediend en het verzoek om een voorlopige voorziening is aldus ontvankelijk. De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat voor zover verzoekers geen zienswijze zouden hebben ingediend dit -gelet op de uitspraken van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786 en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953- niet aan hen als belanghebbenden kan worden tegengeworpen. De Afdeling heeft in deze uitspraken immers geoordeeld dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (UOV) is toegepast, artikel 6:13 van Pro de Awb (het niet indienen van een zienswijze) niet kan worden tegengeworpen aan belanghebbenden.
Belanghebbendheid
6. Ten aanzien van de belanghebbendheid van verzoekers overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoekers wonen allen in het nieuwbouwcomplex Zuidduin aan de Houtrustweg tegenover het beoogde bouwplan. Gelet op de situering van de woningen van verzoekers ten opzichte van het bouwplan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers allen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt.
Wettelijk kader
7.1
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk; (…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan; (…).
7.2
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
7.3
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c , de omgevingsvergunning slechts worden verleend:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…).
8.1
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Scheveningen Haven’, door de gemeenteraad van Den Haag vastgesteld op 22 januari 2015. Ingevolge dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘verkeer - hoofdverkeersweg’, de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’, en de dubbelbestemmingen ‘waarde - archeologie’ en ‘waterstaat- waterkering’.
8.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag niet voldoet aan de artikelen 27 en 42 van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan, omdat het plaatsen van een voetbalkooi op gronden met de bestemmingen ‘verkeer - hoofdverkeersweg’ en ‘waterstaat- waterkering’ niet mogelijk is en bouwen daarom in beginsel niet is toegestaan. Evenmin is in geschil dat het bestemmingsplan op dit vlak geen afwijkingsmogelijkheid biedt. Om het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend.
Geluid
9.1
Verweerder beschikt bij de beslissing op een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Wabo, over een ruime mate van beleidsvrijheid. Toepassing van deze bevoegdheid wordt door de voorzieningenrechter terughoudend getoetst. Met inachtneming van dit terughoudende toetsingskader overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
9.2
Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat het bevoegd gezag bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan een afweging moet maken of het aangevraagde project aanvaardbaar is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat daarbij om de ruimtelijke effecten van het project. Onder een goede ruimtelijke ordening wordt mede begrepen een goed woon- en leefklimaat voor belanghebbenden. In het kader van de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat kan een milieutoetsing aan de orde zijn. Vormen van hinder zijn bijvoorbeeld geluid.
9.3
In de ruimtelijke onderbouwing, die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het bouwplan getoetst aan het relevante (ruimtelijke) beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld. Hierin is vermeld dat er geen belemmeringen naar voren zijn gekomen voor de uitvoerbaarheid van het bouwplan en is geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan worden ingestemd met het bouwplan. Ten aanzien van het aspect geluid is vermeld dat de nieuw te plaatsen voetbalkooi op circa 30 meter afstand tot de woningen aan de Houtrustweg ligt en hoewel bekend is dat het gebruik van voetbalkooien op korte afstand van woningen kan leiden tot geluidhinder, bestaat vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat in dit geval aanvullende maatregelen zijn benodigd ter voorkoming van geluidhinder.
In het bestreden besluit heeft verweerder daarover nog opgemerkt dat hoewel bij het gebruik van de voetbalkooi inderdaad geluid geproduceerd zal worden, dit geluid bij normaal gebruik binnen de daarvoor gestelde grenzen blijft, ook indien het gebruik gepaard gaat met bij sport en spel gebruikelijk stemgeluid.
9.4
Verweerder heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat een onderzoek naar geluid in deze situatie niet noodzakelijk was, nu sprake is van vervanging van een voetbalkooi. Er stond op deze locatie eerder immers al rechtmatig een voetbalkooi en op zo goed als dezelfde plaats, slechts 40 meter verderop, keert daarvoor een nieuwe terug. Van meldingen van geluidsoverlast ten tijde van de oude voetbalkooi is verweerder niet gebleken. Bovendien is de nieuwe voetbalkooi opgetrokken uit geluidsarme materialen. Verweerder voert tot slot aan dat bij geluidsoverlast door verzoekers om handhaving kan worden verzocht.
9.5
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij elke aanvraag om een omgevingsvergunning als hier aan de orde dient te beoordelen of de gevolgen van de met deze vergunning voorziene ontwikkeling aanvaardbaar zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De enkele verwijzing naar (het gebruik van) de oude voetbalkooi is dan ook niet toereikend. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in deze miskend dat een zelfstandige beoordeling van de nieuwe ontwikkeling dient plaats te vinden, te meer daar de situatie ter plaatse aanmerkelijk is gewijzigd gelet op de realisering van de diverse nieuwbouwcomplexen.
9.6
Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting geen toelichting heeft kunnen geven op de in het bestreden besluit opgenomen stelling dat “bij normaal gebruik het geluid binnen de daarvoor gestelde grenzen blijft”. Aldus is niet duidelijk wat door verweerder onder normaal gebruik wordt verstaan en -belangrijker- naar welke (geluids)grenzen verweerder verwijst en op grond waarvan kan worden vastgesteld dat die grenzen niet zullen worden overschreden. Hoewel verweerder meent dat de uitspraak van rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:3377) niet van toepassing is op de onderhavige zaak, overweegt de voorzieningenrechter dat uit deze uitspraak in elk geval volgt -gelet op het daarin opgenomen STAB rapport- dat ook bij normaal gebruik van een voetbalkooi reeds sprake kan zijn van geluidhinder. De stelling in de ruimtelijke onderbouwing dat er vooralsnog geen aanleiding is om te veronderstellen dat bij een afstand van tenminste 25 meter tot woningen aanvullende maatregelen zijn benodigd ter voorkoming van geluidhinder wordt ook niet onderbouwd.
9.7
Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in onvoldoende mate rekening gehouden met de geluidhinder die de nieuwe voetbalkooi met zich mee kan brengen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in de vergunde situatie de te verwachten geluidsproductie niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenmin is onderbouwd waarom hier geen nader onderzoek naar is gedaan.
10. Vanwege het ontbreken van een deugdelijke ruimtelijke motivering op dit punt heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op basis daarvan niet op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het bouwplan niet tot een onaanvaardbaar woon-en leefklimaat voor verzoekers zal leiden en dat vergunningverlening op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3, van de Wabo niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van verzoekers slaagt en de voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen, alsmede het bestreden besluit schorsen tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep in de bodemzaak.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot
zes weken na uitspraak op het beroep in de bodemzaak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekers
te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.496,-, te betalen
aan verzoekers.
De uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.