Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht om verbetering van zijn geboorteakte, waarin het mannelijk geslacht vermeld staat, naar een vermelding dat het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld. Dit verzoek is gebaseerd op zijn overtuiging niet tot het mannelijke noch het vrouwelijke geslacht te behoren, ondersteund door een verklaring van het Genderteam en eerdere jurisprudentie van rechtbanken Limburg, Noord-Nederland en Midden-Nederland.
Hoewel de huidige wettelijke bepalingen, met name artikel 1:19d BW, alleen voorzien in een dergelijke vermelding bij twijfel om medische redenen direct na de geboorte, erkent de rechtbank dat er inmiddels maatschappelijke en juridische erkenning is voor een neutrale geslachtelijke identiteit. De rechtbank verwijst naar beleidsstukken en jurisprudentie die een trend laten zien richting juridische erkenning, ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag en het uitblijven van wetswijziging door de wetgever.
De rechtbank weegt het individuele belang van verzoeker zwaarder dan het algemene belang van strikte naleving van de wet en besluit het primaire verzoek toe te wijzen. De geboorteakte wordt verbeterd door de vermelding 'van het mannelijk geslacht' te wijzigen in 'waarvan het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld'. Het subsidiaire verzoek tot doorhaling en nieuw opmaken van de geboorteakte wordt afgewezen.