Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, samen met zijn minderjarige dochter, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, om verblijf te verkrijgen bij zijn echtgenote en haar minderjarige zoon die de Nederlandse nationaliteit bezit.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor het minderjarige kind en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind het grondgebied van de EU zou moeten verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. Eiser voerde aan dat het besluit in strijd is met het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro), het IVRK en het EU-Handvest, en dat de hoorplicht is geschonden.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheid, en dat de staatssecretaris terecht geen hoorzitting heeft gehouden. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en andere internationale verdragen faalt omdat deze niet leiden tot afgifte van het gevraagde verblijfsdocument. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.