ECLI:NL:RBDHA:2021:8558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2021
Publicatiedatum
4 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.6145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is sinds 12 maart 2021 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. Het geschil richt zich nu op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds dat moment. Eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering vanwege het ontbreken van laissez passers (LP’s) sinds maart 2020, en verwijst naar eerdere uitspraken waarin het zicht op uitzetting naar Algerije werd ontkend.

De rechtbank stelt vast dat sinds maart 2020 geen LP’s meer zijn afgegeven, maar neemt kennis van recente ontwikkelingen waarbij de Algerijnse autoriteiten toezeggingen hebben gedaan om presentaties te hervatten, met geplande presentaties vanaf 26 mei 2021. Dit vormt een concreet aanknopingspunt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is hersteld.

De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft gesteld of bewezen dat hij niet meewerkt aan zijn identificatie en dat de duur van de bewaring nog niet zodanig lang is dat uitzetting redelijkerwijs uitgesloten kan worden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.6145

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-Nummer]
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. van Deel).

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 maart 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 april 2021 (in de zaak NL21.3778) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Er zijn al langer dan een jaar geen laissez passers (LP’s) verstrekt. In dit verband verwijst eiser naar een aantal recente uitspraken, namelijk: de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den
Bosch, van 14 april jl., ECLI:NLRBDHA:2021:3701, de uitspraak van deze rechtbank van 20 april jl., ECLI:NL:RBDHA:2021:4089, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 21 april jl., ECLI:NL:RBDHA:2021:4035. In die uitspraken is geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.
4.1
De rechtbank stelt vast dat in maart 2020 voor het laatst een LP is afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Dit is dus al meer dan een jaar geleden.
4.2
Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:696, ECLI:NL:RVS:2021:695 en ECLI:NL:RVS:2021:698) maakt de rechtbank op dat van verweerder mag worden verwacht om concrete aanknopingspunten te kunnen geven die de verwachting rechtvaardigen dat vreemdelingen met de, in die uitspraken van belang zijnde, Marokkaanse nationaliteit op korte termijn weer met een door de Marokkaanse autoriteiten afgegeven LP kunnen worden uitgezet naar Marokko. De rechtbank is van oordeel dat dit, gezien wat onder 4.1 is overwogen, ook van verweerder verwacht mag worden waar het gaat om zicht op uitzetting naar Algerije.
4.3
Bij brief van 10 mei 2021 heeft verweerder de rechtbank het volgende medegedeeld. De DT&V heeft verweerder laten weten dat in een recent gesprek op 30 april 2021 tussen de Algerijnse autoriteiten en de Directeur Internationale Aangelegenheden van DT&V is aangedrongen op medewerking voorwat betreft de identiteitsvaststelling en afgiftes/toezeggingen van LP's ten behoeve van gedwongen terugkeer naar Algerije. De ambassadeur heeft toegezegd dat presentaties zullen worden hervat. Vervolgens is op 6 mei 2021 vernomen dat de eerste vijf presentaties op 26 mei 2021 zullen plaatsvinden, aldus verweerder.
5. In de afgelopen weken heeft de rechtbank meermalen geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. Doorslaggevend voor dat oordeel was het feit dat sinds maart 2020 – ondanks meer dan enkele daartoe ingediende aanvragen – geen presentaties meer plaatsvinden, geen lp’s door de Algerijnse autoriteiten zijn afgegeven en er geen concreet zicht is op verandering van deze situatie [1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan naar aanleiding van de hiervoor weergegeven mededeling van verweerder niet langer worden geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin ontbreekt. Het feit dat op 26 mei 2021 presentaties zullen plaatsvinden is een concreet aanknopingspunt dat de verwachting rechtvaardigt dat vreemdelingen met de Algerijnse nationaliteit binnen een redelijke termijn weer met een door de Algerijnse autoriteiten afgegeven LP kunnen worden uitgezet naar Algerije.
6. Vervolgens ligt de vraag voor of in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig moet worden geacht. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet gesteld of gebleken is dat eiser zijn verplichting tot actieve en volledige medewerking gestand doet. Het ligt immers op de weg van eiser zelf om, in het kader van zijn medewerkingsplicht, documenten te overleggen waarmee hij zijn gestelde nationaliteit en identiteit kan onderbouwen en in dat kader contact op te nemen met personen die hem daarbij kunnen helpen. De rechtbank overweegt verder dat de duur van de bewaring nog niet zodanig lang is dat op dit moment al kan worden geoordeeld dat hij niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de in overweging 3 genoemde uitspraken en ook nog meer recent de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 april 2021, NL21.5883, niet gepubliceerd.