ECLI:NL:RBDHA:2021:8769

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.8864
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling met verwijzing naar uitzettingsprotocol Afghanistan

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de eerdere maatregel te lang heeft geduurd en dat de huidige maatregel te laat is opgelegd, maar dit verweer faalde omdat de nieuwe maatregel op een andere wettelijke grondslag berust en de eerdere maatregel niet in deze procedure ter beoordeling stond.

Daarnaast stelde eiser dat er geen zicht is op uitzetting naar Afghanistan binnen een redelijke termijn, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin uitzettingsvluchten waren geannuleerd vanwege aanpassingen in het protocol van de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank nam kennis van de verklaring van verweerder dat de protocollen inmiddels zijn aangepast en uitzettingen weer mogelijk zijn, waardoor dit verweer eveneens faalde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete en griffier R. Yildiz op 23 juni 2021 in Rotterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8864
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. I. Genee).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. Eiser voert aan dat de vorige maatregel, op grond van artikel 59b van de Vw 2000, te lang heeft voortgeduurd en dat dit gevolgen dient te hebben voor de huidige maatregel op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000. Deze laatste maatregel is volgens eiser te laat opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat een aan de eerste maatregel van bewaring mogelijk klevende gebrek de daaropvolgende maatregel niet van aanvang af onrechtmatig maakt. Dat de eerdere maatregel tweeëndertig, dan wel tweeënnegentig, dan wel zes dagen te laat zou zijn omgezet maakt niet dat de huidige maatregel per definitie onrechtmatig is. Eiser had ten tijde van de vorige maatregel tegen het te lang voortduren van die maatregel (gebaseerd op artikel 59b van de Vw 2000) moeten opkomen, hetgeen niet is geschied. De nieuwe maatregel berust immers op een andere wettelijke grondslag. Zie de uitspraken van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005, 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3059 en 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67.
De te late omzetting van de eerste maatregel (op grond van artikel 59b van de Vw 2000), ligt niet in deze procedure ter beoordeling voor. De rechtbank toetst de maatregel op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 vanaf de datum oplegging te weten 8 juni 2021.
Voor het overige heeft eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet bestreden.
3. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting naar Afghanistan is binnen een redelijke termijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 11 mei 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:4842).
3.1.
In de zaken die hebben geleid tot de door eiser aangehaalde uitspraak was sprake van de annulering van uitzettingsvluchten naar Afghanistan naar aanleiding van de omstandigheid dat de NAVO heeft aangekondigd zich uit Afghanistan terug te trekken en de in verband hiermee aan te passen protocollen en werkwijze van de bij uitzettingen betrokken Koninklijke Marechaussee, waarmee enige tijd was gemoeid. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat die protocollen inmiddels zijn aangepast en dat vanaf 31 mei 2021 uitzettingen naar Afghanistan weer mogelijk zijn. Gelet hierop bestaat vooralsnog zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Deze beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is gedaan in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 juni 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.