ECLI:NL:RVS:2018:67
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vreemdelingenbewaring en tijdigheid van oplegging
De vreemdeling werd op 31 oktober 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld na intrekking van zijn asielaanvraag. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen door de rechtbank. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de maatregel van 31 oktober 2017 te laat was opgelegd en dat de rechtbank dit ten onrechte niet had beoordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat elke nieuwe maatregel van bewaring als een afzonderlijke maatregel moet worden beschouwd en dat het aanvechten van een latere maatregel niet automatisch het eerdere gebrek aan de vorige maatregel impliceert. De vraag of de maatregel van 31 oktober 2017 tijdig was, hangt af van de juiste voortzetting van de maatregel van 19 oktober 2017, maar deze laatste maatregel lag niet ter beoordeling bij de rechtbank.
De Afdeling komt hiermee terug op eerdere jurisprudentie en oordeelt dat de vreemdeling deze kwestie in een eerste beroep tegen de maatregel van 19 oktober moet aanvoeren. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.