ECLI:NL:RBDHA:2021:9303
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning medische behandeling en uitstel vertrek
Eiser, een Algerijnse staatsburger, vroeg om een verblijfsvergunning voor medische behandeling en uitstel van vertrek. Verweerder wees deze aanvragen af omdat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt en onvoldoende bewijs leverde van zijn identiteit en nationaliteit. Het Bureau Medische Advisering (BMA) concludeerde dat bij het staken van medicatie geen medische noodsituatie op korte termijn ontstaat en dat noodzakelijke behandeling in Algerije beschikbaar is.
Eiser voerde aan dat het BMA-advies verouderd en onvoldoende inzichtelijk was, dat verweerder ten onrechte geen onderzoek deed naar de feitelijke toegankelijkheid van medicatie, en dat zijn zwakbegaafdheid onvoldoende werd meegewogen. Ook stelde hij bewijsnood omtrent zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank oordeelde dat eiser geen contra-expertise of onderbouwing had geleverd om het BMA-advies te betwisten en dat het advies zorgvuldig en inzichtelijk was.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij in bewijsnood verkeerde omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Hierdoor kon niet worden onderzocht of de noodzakelijke medische zorg in Algerije feitelijk toegankelijk is. Ook faalden de overige bezwaren, waaronder het ontbreken van een hoorzitting, omdat geen redelijk vermoeden bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard.