ECLI:NL:RBDHA:2021:9523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2021
Publicatiedatum
27 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.9082
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Ghanese nationaliteit, diende op 29 januari 2021 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uit Eurodac-onderzoek bleek dat eiser op 2 januari 2017 in Italië een asielaanvraag had ingediend.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië niet langer geldt, omdat Italië niet reageerde op het verzoek om terugname en zich niet houdt aan Europese asielrichtlijnen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede gelet op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De aangehaalde artikelen in de zienswijze brengen geen wezenlijk ander beeld.

Verder stelde verweerder dat de persoonlijke omstandigheden van eiser geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die overdracht aan Italië van onevenredige hardheid maken, zodat geen toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gerechtvaardigd is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.9082

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2021 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.9083, op 8 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Ghanese nationaliteit te bezitten. Op 29 januari 2021 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. [1] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 januari 2017 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Italië verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft niet binnen de termijn van twee weken gereageerd op dit verzoek, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening vaststaat.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat het onduidelijk is waarom verweerder ervan uitgaat dat eiser opvang krijgt in Italië, omdat Italië niet heeft gereageerd op het verzoek om terugname. Verder stelt eiser dat Italië zich niet houdt aan de Europese asielrichtlijnen en verwijst hiervoor naar zijn eigen verklaringen in het aanmeldgehoor van 3 februari 2021. Verweerder is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de aangehaalde artikelen in de zienswijze, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin niet geslaagd. In verschillende uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [2] Verder volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 23 maart 2021 dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië. [3] Anders dan eiser stelt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de aangehaalde artikelen in de zienswijze, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat die artikelen geen wezenlijk ander beeld naar voren brengen dan de informatie waarop de Afdeling en het EHRM zich eerder hebben gebaseerd. Immers heeft Italië middels het fictief claimakkoord garanties gegeven om de asielaanvraag, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling te nemen. Bij eventuele problemen kan eiser klagen bij de autoriteiten in Italië. Niet gebleken is dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen, of dat het indienen van een klacht bij voorbaat zinloos zal zijn.
5. Tot slot heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU), nr. 604/2013.
2.ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881.
3.EHRM 23 maart 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519.