Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam 1], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in Nederland bij zijn broer (referent) op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het primaire besluit van 12 augustus 2020 wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie. Het bezwaar werd op 11 maart 2021 ongegrond verklaard omdat geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie werd vastgesteld.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening hield met de onderlinge afhankelijkheid binnen het gezin, de gezamenlijke vlucht uit Syrië, en de zorgbehoefte van hun geestelijk gehandicapte zus. Hij betoogde dat de zorg exclusief door hem moest worden gegeven en dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting hield.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de feiten en omstandigheden zorgvuldig en in onderlinge samenhang had meegewogen. Financiële steun alleen betekent niet automatisch een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook was niet aannemelijk dat de zorg voor de zus exclusief door eiser moest worden geleverd, aangezien anderen deze zorg ook kunnen bieden. De culturele argumenten en situatie in het land van verblijf of herkomst veranderden dit niet.
De rechtbank concludeerde dat er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond en dat het horen van eiser in de bezwaarprocedure niet noodzakelijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanvraag terecht afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.