ECLI:NL:RBDHA:2021:9736
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond op weigering machtiging tot voorlopig verblijf in kader van nareis jongvolwassene
Eiser, een Iraanse jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vader, die een verblijfsvergunning asiel bezit. Verweerder wees de aanvraag af omdat de identiteit en familierechtelijke relatie niet voldoende waren aangetoond en omdat geen sprake zou zijn van een beschermenswaardig familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
In bezwaar werd de aanvraag alsnog getoetst aan het jongvolwassenenbeleid, waarbij verweerder concludeerde dat eiser niet aan dit beleid voldeed omdat hij na meerderjarigheid had gewerkt en daardoor de gezinsband verbroken zou zijn. Eiser betwistte dit en stelde dat hij op de peildatum voldeed aan het beleid, niet in eigen levensonderhoud voorzag en geen zelfstandig gezin had.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet meer tot het gezin zou behoren, mede gelet op verklaringen van referent dat eiser werkloos was, nog in het ouderlijk huis woonde, financieel afhankelijk was en onder behandeling was voor depressies. Ook werd een aanvullende contra-indicatie zelfstandig wonen door verweerder niet gevolgd omdat die niet in het besluit stond en eiser niet zelfstandig woonde.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en vernietigde het bestreden besluit. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.