ECLI:NL:RBDHA:2021:9739

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
NL21.5134 en NL21.5034
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit en bewaring met betrekking tot uitzetting naar Algerije

De zaak betreft het beroep van eiser tegen twee besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid: een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser stelde dat hij vanwege vrees voor problemen in Algerije niet terug kon keren en dat er geen zicht was op verwijdering binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn vrees niet nader heeft toegelicht, waardoor deze niet als bijzondere omstandigheid kon worden meegewogen in de belangenafweging.

Verder bleek uit het dossier en de zitting dat de Algerijnse autoriteiten in het algemeen wel laissez-passer afgeven en er geen aanwijzingen waren dat zij dit in het geval van eiser zouden weigeren. Ook was er geen reden om aan te nemen dat coronamaatregelen de uitzetting zouden belemmeren. Eiser was bovendien niet bereid actief mee te werken aan zijn uitzetting.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit en de bewaring worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.5134 en NL21.5034

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1
1. Eiser voert aan dat dit besluit niet voldoende is gemotiveerd, omdat hierin niet is betrokken dat hij niet terug kan naar Algerije vanwege zijn vrees daar problemen te krijgen.
1.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft zijn gestelde vrees niet nader willen toelichten, ondanks vragen hierover van verweerder. Verweerder heeft hierom eisers gestelde vrees niet hoeven aan te merken als een bijzondere omstandigheid en dus ter motivering van de gemaakte belangenafweging kunnen volstaan met de opmerking dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het afzien van bestreden besluit 1.
Over bestreden besluit 2
2. Eiser betoogt dat er geen zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn is naar Algerije en verwijst ter onderbouwing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:696, ECLI:NL:RVS:2021:695 en ECLI:NL:RVS:2021:698).
2.1.
Deze beroepsgrond faalt. Het is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten gelijk aan de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen geen laissez-passer (lp) afgeven zoals overwogen in de genoemde Afdelingsuitspraken. Ook is er geen grond voor het oordeel dat de Algerijnse autoriteiten in het concrete geval van eiser niet bereid zijn een lp af te geven. Verder is er nog geen aanleiding voor het oordeel dat door Coronamaatregelen de termijnen van eisers bewaring zullen worden overschreden. Op eiser rust bovendien de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting naar Algerije. Uit zowel het gehoor van 25 maart als het vertrekgesprek van 26 maart 2021 blijkt dat eiser daartoe niet bereid is. Gelet op vaste rechtspraak is dan in beginsel zicht op uitzetting gegeven.
Over de beroepen
3. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is gedaan in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.