ECLI:NL:RBDHA:2021:9761
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens aannemelijke Iraakse nationaliteit en terugkeerbaarheid
Eiser, geboren in 1986 als kind van Iraakse vluchtelingen in Iran, stelde staatloos te zijn en vroeg asiel aan in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser volgens hem de Iraakse nationaliteit bezit of kan verkrijgen, en hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak heeft aangetoond.
Eiser betwistte zijn Iraakse nationaliteit en verwees naar een verklaring van de Iraakse ambassade waarin werd gesteld dat hij geen paspoort kan krijgen. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring onvoldoende is om het tegendeel aan te nemen en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de Iraakse nationaliteit niet heeft of kan verkrijgen.
Verder achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Irak een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser had geen binding met Irak ontkend, maar verweerder stelde dat hij zich daar veilig kan vestigen. De rechtbank volgde dit standpunt en wees het beroep af.
De rechtbank benadrukte dat eiser meer inspanningen moet verrichten om zijn stellingen te onderbouwen en dat hij in een nieuwe procedure eventueel nieuwe stukken kan overleggen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser de Iraakse nationaliteit heeft of kan verkrijgen en geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer heeft gesteld.