Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
om die redenhet zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Immers wanneer de eis zou worden gesteld dat alleen uitzetting vanuit vreemdelingenbewaring relevant zou zijn voor de vraag of er zicht op uitzetting bestaat, zou er nooit meer zicht op uitzetting naar Marokko binnen redelijke termijn kunnen worden aangenomen. Om te kunnen voldoen aan de eis van gedwongen uitzetting vanuit vreemdelingenbewaring moet de vreemdeling allereerst in bewaring worden gesteld, en omdat de bewaring alleen de uitzetting kan dienen, kan die bewaring, zolang het zicht op uitzetting nog ontbreekt, niet worden opgelegd. Zo is het dus feitelijk onmogelijk voor verweerder om aan een dergelijke eis te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het erom dat, anders dat de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling op 2 april 2021, thans is gebleken dat door de Marokkaanse autoriteiten medewerking wordt verleend aan het verstrekken van nationaliteitsverklaringen, het houden van presentaties en het afgeven van laissez-passers. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie over de gedwongen uitzettingen te verschaffen.
Beslissing
verklaart de beroepen ongegrond;
mr.E.C.M. Boerboom, griffier.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.