ECLI:NL:RBDHA:2022:10284
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor pleegkind wegens onvoldoende bewijs onaanvaardbare toekomst
Eiser, een minderjarig kind van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als pleegkind bij zijn oom en diens echtgenote. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat eiser in Nigeria geen aanvaardbare toekomst heeft, mede door het ontbreken van medische stukken over de verslavingsproblemen van zijn moeder en het ontbreken van bewijs van familierechtelijke relaties en toestemming van ouders.
Eiser stelde dat hij verwaarloosd wordt en dat er geen adequate zorg of weeshuizen in Nigeria zijn, maar kon deze stellingen niet met gelegaliseerde documenten onderbouwen. Nieuw overgelegde stukken in beroep konden niet worden betrokken vanwege de ex tunc-toetsing. Tevens ontbrak een vereiste medische verklaring, waardoor de aanvraag terecht werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de beoordelingsruimte van verweerder terughoudend getoetst moet worden en dat verweerder terecht van horen kon afzien. De enkele niet onderbouwde verwijzing naar artikel 4:84 Awb Pro leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.