ECLI:NL:RBDHA:2022:10858

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2022
Publicatiedatum
21 oktober 2022
Zaaknummer
19/8443
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEU
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij vaststelling ingangsdatum rechtmatig verblijf

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van haar verblijfsdocument dat door verweerder is verstrekt. Verweerder stelde zich op het standpunt dat hij niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen, een standpunt dat door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is bevestigd.

Eiseres vorderde dat de rechtbank het bezwaar gegrond verklaart en de ingangsdatum vaststelt, omdat dit van belang is voor haar rechtspositie en toekomstige aanspraken, waaronder het Nederlanderschap. Verweerder stelde dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat zij met deze procedure niet kan bereiken wat zij beoogt.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit, mede gelet op de jurisprudentie van de ABRvS. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra op 14 maart 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/8443

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [1984] , van Marokkaanse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een verblijfsdocument EU/EER verstrekt dat 5 jaar geldig is vanaf 25 juni 2019.
Bij besluit van 7 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de ingangsdatum van het verstrekte verblijfsdocument ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep op een zitting aan te houden totdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak heeft gedaan in hoger beroep in de zaak 201900470/1/V3.
De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen.
Op 28 mei 2021 heeft de ABRvS uitspraak gedaan in die zaak (ECLI:NL:RVS:2021:1145).
Eiseres en verweerder hebben op verzoek van de rechtbank schriftelijk gereageerd op deze uitspraak.
Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eiseres een document toegekend, als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld niet bevoegd te zijn om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van eiseres vast te stellen, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag is.
2. In de uitspraak van 28 mei 2021 heeft de ABRvS dit standpunt bevestigd en geoordeeld dat verweerder niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen van op grond van artikel 20 VWEU Pro afgeleide verblijfsrechten.
3. Verweerder heeft zich in reactie op de uitspraak van de ABRvS primair op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat zij met deze procedure niet (meer) kan bereiken wat ze daarmee beoogt, te weten het vaststellen van de ingangsdatum van haar declaratoire verblijfsrecht in verband met (toekomstige) financiële aanspraken op grond van andere regelgeving, verblijfsaanspraken en verlening van het Nederlanderschap. Subsidiair stelt verweerder dat het bestreden besluit rechtens juist is.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en de uitspraak van de ABRvS. Zij stelt procesbelang te hebben bij haar beroep, omdat zij wenst te vernemen wat haar rechtspositie is, zodat zij weet wanneer zij een sterker verblijfsrecht kan aanvragen. Eiseres verzoekt de rechtbank om het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en legt dat hieronder uit.
De ABRvS heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 28 mei 2021 overwogen dat verweerder niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen van op grond van artikel 20 VWEU Pro afgeleide verblijfsrechten. Uit die uitspraak volgt ook dat als de vreemdeling het niet eens is met een beslissing over aanspraken op rechten waarvoor de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van belang is, zij die beslissing zelf kan laten toetsen bij de rechter.
Het voorgaande betekent dat eiseres met dit beroep niet (meer) kan bereiken wat ze daarmee nog beoogt, namelijk dat verweerder de ingangsdatum van haar verblijfsrecht in deze procedure vaststelt. Dit wordt bevestigd in de uitspraak van de ABRvS van 4 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2206).
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep wordt daarom, bij ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.