ECLI:NL:RVS:2021:2206
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt. Deze aanvraag werd op 28 november 2019 afgewezen, waarna bezwaar en beroep door de vreemdeling werden ingesteld, maar beide werden ongegrond verklaard.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof het verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name de ingangsdatum van het verblijfsrecht, die van belang is voor financiële aanspraken.
De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling geen procesbelang meer had omdat een aanvraag voor een verblijfsdocument bij een andere dochter inmiddels was ingewilligd. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de ingangsdatum van het verblijfsrecht vast te stellen en dat de vreemdeling voor geschillen over aanspraken met betrekking tot de ingangsdatum de rechter kan inschakelen. Hierdoor kon het hoger beroep niet het beoogde resultaat opleveren.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.