Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
Het bestreden besluit
Chavez-Vilchez toekomt. Zij heeft haar aanvraag wel onderbouwd. Eiseres is namelijk de verzorgende ouder van haar ongeboren kind en meent dat haar ongeboren kind het recht heeft om in Nederland te wonen. Dit is immers in het belang van het kind op grond van artikel 1:2 van Pro het BW. Ook verwijst eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 29 november 2021 [4] waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de vraag welke status een kind heeft voor diens geboorte. Eiseres is van mening dat haar ongeboren kind zwaarwegende rechten toekomt die ieder Nederlands kind heeft, namelijk verblijven op het grondgebied van Nederland. Als ouder van een EU-burger komt dit recht ook aan eiseres toe. Temeer nu zij rechtmatig verblijf in Nederland heeft vanwege haar aanvraag op grond van artikel 9 van Pro de Vw. Verweerder heeft het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel geschonden met de afwijzing van haar aanvraag. Ook meent eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
EU-onderdaan en dat zij gelet daarop niet in aanmerking komt voor het gevraagde visum. De voorzieningenrechter leidt uit de gegeven motivering af dat, ondanks dat hetzelfde format is gebruikt als wordt gebruikt voor de beoordeling van een aanvraag van een kortdurend visum, wel op de aanvraag voor afgifte van een faciliterend visum is besloten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiseres een geslaagd beroep op het Chavez-Vilchez arrest toe?
Heeft verweerder van het horen mogen afzien?
Chavez-Vilchez. Dat verweerder het bestreden besluit nader heeft gemotiveerd, betekent op zichzelf allereerst niet dat eiseres gehoord had moeten worden. De omstandigheid dat een bestuursorgaan in een besluit op bezwaar de motivering uit het primaire besluit aanvult, is namelijk niet het criterium dat bepaalt of van het horen al dan niet mag worden afgezien. In het onderhavige geval is bovendien van belang dat uit het primaire besluit al voldoende duidelijk volgt wat de afwijzingsgrond is. Voorts is van belang dat partijen ieder een ander vertrekpunt hanteren betreffende de rechten van het ongeboren kind. Verweerder mocht op basis hiervan concluderen dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestond dat de bezwaren niet zouden kunnen leiden tot een ander besluit. Dat verweerder in het primaire besluit mede een andere afwijzingsgrond aan het besluit ten grondslag had gelegd, maakt dit niet anders. De heroverweging maakt dit mogelijk. Eiseres hierover horen had niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder in de bezwaarfase van het horen heeft mogen afzien.
Conclusie