ECLI:NL:RBDHA:2018:14123
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum voor vader ongeboren kind op grond van Chavez-arrest
Verzoeker, de vader van een nog ongeboren kind, vroeg om een faciliterend visum om in Nederland een verblijfsrecht aan te vragen op grond van het Chavez-arrest. Hij wilde bij de geboorte van zijn kind aanwezig zijn. Verweerder, de minister van Buitenlandse Zaken, wees het visum af omdat het kind nog niet geboren was en dus geen minderjarige EU-burger was, een vereiste voor het afgeleide verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat een ongeboren kind geen zelfstandig verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 VWEU Pro omdat het zich niet kan verplaatsen of zelfstandig kan verblijven. Het verblijfsrecht volgt het verblijf van de Nederlandse moeder. Het afgeleide verblijfsrecht voor de vader kan daarom nog niet bestaan. Ook het beroep op artikel 1:2 BW Pro en het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bood geen grond voor toewijzing.
Verder stelde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden omdat verzoeker niet had toegelicht hoe dit in het specifieke geval zou gelden. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een faciliterend visum wordt afgewezen omdat een ongeboren kind geen verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VWEU en het afgeleide verblijfsrecht voor de vader nog niet bestaat.