ECLI:NL:RBDHA:2022:11420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden
Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 2 maart 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat Zweden het interstatelijk vertrouwensbeginsel schendt vanwege automatische detentie zonder individuele toetsing, het ontbreken van opvang en het risico op indirect refoulement bij overdracht.
De rechtbank overwoog dat verweerder in het algemeen mag vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Zweden en dat eiser de bewijslast draagt om het tegendeel aannemelijk te maken. Eiser slaagde hier niet in, mede omdat de Zweedse autoriteiten hadden gegarandeerd zijn asielverzoek te behandelen conform Europese richtlijnen. Ook ontbraken concrete aanwijzingen dat Zweden hem niet zou beschermen tegen refoulement.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin is vastgesteld dat een vreemdeling moet aantonen dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van dat van Nederland en dat ook de rechter in die lidstaat onvoldoende bescherming biedt. Eiser voldeed niet aan deze criteria.
Verder vond de rechtbank dat verweerder terecht geen aanleiding had om de behandeling van de asielaanvraag zelf aan zich te trekken vanwege bijzondere individuele omstandigheden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-behandeling van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden is ongegrond verklaard.