In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor het veranderen van een kantoor in appartementen. Eisers hadden bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, waarna het college het bezwaar deels gegrond verklaarde en het besluit herzag met betrekking tot de parkeerbehoefte.
De rechtbank behandelde het beroep van eisers tegen het bestreden besluit en constateerde in een tussenuitspraak een motiveringsgebrek over de onderbouwing van de parkeerbehoefte. Het college kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen, wat zij deed door een nadere motivering en berekening van de parkeerbehoefte te geven.
Eisers en vergunninghoudster dienden zienswijzen in op deze aanvullende motivering. De rechtbank oordeelde dat het college de oude en nieuwe parkeerbehoefte voldoende had gemotiveerd en dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid, mede door vijf parkeerplaatsen op eigen terrein en acht gehuurde parkeerplaatsen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand vanwege het herstelde motiveringsgebrek. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eisers vergoed. Er werden geen proceskosten toegewezen.