ECLI:NL:RBDHA:2022:11613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
NL22.16258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 17 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning op humanitaire gronden

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden, welke door verweerder is afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de toepassing van artikel 17 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter nam het spoedeisend belang van verzoekster aan, aangezien zij niet rechtmatig in Nederland verblijft en uitzetting mogelijk is. De belangenafweging werd getoetst aan artikel 8 EVRM Pro, waarbij een fair balance moet worden gevonden tussen het privéleven van verzoekster en het Nederlandse toelatingsbeleid.

Hoewel verzoekster sinds haar geboorte in Nederland verblijft en psychische klachten heeft aangetoond, oordeelde de voorzieningenrechter dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt. Het feit dat verzoekster nooit rechtmatig verblijf had en dat haar moeder banden met Suriname heeft, woog zwaar. Ook de beperkte sociale en taalkundige belemmeringen in Suriname en het ontbreken van objectieve belemmeringen om daar haar privéleven voort te zetten, werden meegewogen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16258

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], verzoekster

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 oktober 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dat kader moet getoetst worden of de gevraagde voorziening toegewezen moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
2. Verweerder heeft de aanvraag - kort gezegd - afgewezen, omdat verzoekster niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en op grond van artikel 17 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) geen aanleiding bestaat om verzoekster vrij te stellen van dit vereiste. In dat kader heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de uitzetting van verzoekster niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. Verzoekster betoogt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daartoe voert zij aan dat de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM is en bovendien getuigt van onevenredige hardheid. Verweerder heeft de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel laten uitvallen. Verzoekster heeft geen enkel sociaal vangnet in Suriname. Verder wijst zij er in het bijzonder op dat uit het beleid van verweerder volgt dat naarmate de vreemdeling gedurende de minderjarigheid haar privéleven heeft opgebouwd er een zwaarder gewicht toegekend moet worden aan haar belang. Verweerder heeft bovendien ten onrechte zwaar in het nadeel van verzoekster laten wegen dat haar moeder eventueel kan profiteren van haar verblijfsrecht. Verder heeft zij een afspraakbevestiging voor een behandeltraject met een psychiater en psycholoog overgelegd ter onderbouwing van haar psychische klachten. Ter zitting heeft verzoekster nog aangevoerd dat zij inmiddels tijdelijk is toegelaten tot een opleiding, maar dat het onduidelijk is of zij deze opleiding mag voortzetten wanneer zij niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening, nu zij niet rechtmatig in Nederland verblijft en uit Nederland kan worden verwijderd. Dat uit navraag bij de DT&V blijkt dat er geen concrete plannen zijn om haar uit te zetten, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter daar niet aan af. Verweerder heeft immers in het primaire besluit aangegeven dat, indien verzoekster de beslissing op het bezwaar wil afwachten in Nederland, zij een voorlopige voorziening moet aanvragen. De voorzieningenrechter zal daarom hierna beoordelen of verzoeksters bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie onder meer de uitspraken van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2085) en 11 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:73), en uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Uit het arrest Butt tegen Noorwegen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ERHM) van 4 december 2012 (ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709) volgt dat aan de omstandigheid dat het privéleven zich heeft ontwikkeld tijdens illegaal verblijf in beginsel geen doorslaggevend gewicht toekomt, behoudens uitzonderlijke omstandigheden.
7. De voorzieningenrechter stelt in dit kader voorop dat door verzoekster niet wordt betwist dat alle rechtens relevante belangen door verweerder in het kader van de vraag of er sprake is van beschermingswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM zijn betrokken. De voorzieningenrechter volgt verzoekster in haar betoog dat, onder verwijzing naar de Werkinstructie 2020/16 (p. 33), verweerder daarbij een zwaarder belang moet toekennen aan het belang van de vreemdeling wanneer de vreemdeling op (zeer) jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en daar privéleven heeft opgebouwd. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder deze belangen evenwel voldoende bij het bestreden besluit betrokken en zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt.
8. Verweerder heeft bij het bestreden besluit betrokken dat verzoekster sinds haar geboorte in Nederland heeft verbleven en hier dus sterke banden heeft opgebouwd. Hierin heeft verweerder echter niet zonder meer aanleiding hoeven zien om verzoekster reeds daarom vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft namelijk in het nadeel kunnen laten meewegen dat verzoekster nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en het dus gaat om een eerste toelating. Het betoog dat het verwijtbare handelen van de moeder van verzoekster niet voor haar rekening mag komen, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter wijst daarbij op voornoemde Werkinstructie waaruit ook volgt dat verweerder het feit dat de (biologische) ouders van de vreemdeling illegaal in Nederland verblijven kan tegenwerpen aan de vreemdeling. Bovendien heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster inmiddels, afgaand op haar verklaringen, er in ieder geval drie jaar van op de hoogte is dat zij tot op heden zonder rechtmatig verblijf in Nederland heeft verbleven en dat dus ook wist dat zij de hier aangegane banden op enig moment zou moeten verbreken. Verweerder heeft niet betwist dat verzoekster weinig tot geen banden met Suriname heeft, maar dit leidt niet tot een ander oordeel bij de voorzieningenrechter. Verweerder heeft zich immers niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de moeder van verzoekster wel een groot deel van haar leven in Suriname heeft gewoond en daar banden heeft. Hierbij heeft verweerder het van belang kunnen achten dat verzoekster heeft verklaard dat ze er vanuit gaat dat haar moeder met haar terug zal keren naar Suriname wanneer haar aanvraag wordt afgewezen. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen taalbarrière voor verzoekster is en niet is gebleken van een objectieve belemmeringen om het privéleven in Suriname uit te oefenen. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de enkele afspraakbevestiging met een psychiater en psycholoog en het ter zitting ingenomen standpunt dat verzoekster inmiddels, al dan niet tijdelijk, is toegelaten tot een opleiding, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een ander (voorlopige) oordeel ten aanzien van de door verweerder gemaakte belangafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit leidt evenmin tot het oordeel dat de afwijzing van de hier aan de orde zijnde aanvraag getuigt van onevenredige hardheid. Het betoog van verzoekster slaagt dus niet.
9. Het verzoek wordt afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.