ECLI:NL:RBDHA:2022:11613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning op humanitaire gronden
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden, welke door verweerder is afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de toepassing van artikel 17 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter nam het spoedeisend belang van verzoekster aan, aangezien zij niet rechtmatig in Nederland verblijft en uitzetting mogelijk is. De belangenafweging werd getoetst aan artikel 8 EVRM Pro, waarbij een fair balance moet worden gevonden tussen het privéleven van verzoekster en het Nederlandse toelatingsbeleid.
Hoewel verzoekster sinds haar geboorte in Nederland verblijft en psychische klachten heeft aangetoond, oordeelde de voorzieningenrechter dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt. Het feit dat verzoekster nooit rechtmatig verblijf had en dat haar moeder banden met Suriname heeft, woog zwaar. Ook de beperkte sociale en taalkundige belemmeringen in Suriname en het ontbreken van objectieve belemmeringen om daar haar privéleven voort te zetten, werden meegewogen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.