ECLI:NL:RBDHA:2022:11937
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet tijdelijk
Verzoekster, van Surinaamse nationaliteit, diende op 2 mei 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘humanitair niet tijdelijk’. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat verzoekster geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet voldeed aan de vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks het ontbreken van concrete uitzettingsplannen het spoedeisend belang aanwezig was omdat het bestreden besluit rechtmatig verblijf ontzegt en verzoekster daardoor wordt aangezet tot het indienen van een voorlopige voorziening. Verzoekster voerde meerdere gronden aan, waaronder een beroep op de Emancipatiewet, het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, en een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter verwierp deze gronden omdat de Emancipatiewet geen verblijfsrecht verleent, de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap en Unieburgerschap niet relevant zijn voor deze aanvraag, en verweerder de familiebanden en belangenafweging voldoende had beoordeeld. Ook was er geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die vrijstelling van het mvv-vereiste zou rechtvaardigen. De hoorplicht werd niet als dwingend geacht in deze voorlopige voorziening. Gelet op het voorgaande werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.