ECLI:NL:RBDHA:2022:12083
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan huisvestingsvoorwaarden
Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij vanwege medische klachten een rollatorvriendelijke woning nodig heeft en dichter bij haar partner wil wonen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (Hvv) en het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres stelde dat de situatie met haar ex-partner niet als weigeringsgrond mocht worden gebruikt en dat mantelzorg een grond voor urgentie is.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bij het toekennen van urgentieverklaringen beoordelingsvrijheid heeft en dat het beleid gericht is op een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad. De angst voor de ex-partner kan volgens de rechtbank redelijkerwijs worden opgelost via huisverbod of contactverbod. Bovendien lost verhuizing het probleem niet voldoende op, zodat deze weigeringsgronden terecht zijn toegepast.
Ten aanzien van mantelzorg is niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, mede omdat eiseres inmiddels samenwoont met haar partner. Een deskundigenadvies van de GGD bevestigt dat er geen levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie is en dat er geen dringende noodzaak is voor andere woonruimte binnen drie maanden.
De rechtbank acht het beleid van verweerder niet onredelijk en ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.