ECLI:NL:RVS:2021:1423
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens niet voldoen aan weigeringsgronden
De zaak betreft het hoger beroep van een inwoner van Den Haag die een urgentieverklaring voor woningzoekenden heeft aangevraagd. Na een eerdere drie maanden geldende urgentieverklaring die niet leidde tot woningtoewijzing, werd zijn verzoek tot verlenging afgewezen vanwege onvoldoende reactie op woningaanbod binnen zijn zoekprofiel. Vervolgens vroeg hij opnieuw een urgentieverklaring aan, die het college afwees omdat de aanvraag binnen twee jaar na de vorige vervallen verklaring werd ingediend en hij niet aantoonbaar had gereageerd op het woningaanbod.
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, artikel 4:5, onder h en m. De aanvrager stelde dat zijn medische situatie was verslechterd en dat het zoekprofiel niet meer passend was, maar dit had hij eerder moeten aanvoeren. Het college had de hardheidsclausule niet toegepast omdat de verslechtering niet voldoende was onderbouwd met medische verklaringen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel. De aanvrager kon geen redelijk vertrouwen ontlenen aan het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften dat het college de aanvraag inhoudelijk zou beoordelen zonder eerst de weigeringsgronden te toetsen. De overgelegde medische stukken boden onvoldoende bewijs van een zodanige verslechtering dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag urgentieverklaring wegens niet voldoen aan de weigeringsgronden.