Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam eiseres], eiseres,
[kind 1],
[kind 2],
[kind 3]en
[kind 4],
Rechtbank Den Haag
Eisers, bestaande uit een moeder en haar kinderen, hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging met hun zoon, referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De rechtbank had eerder het eerdere besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over het jongvolwassenenbeleid.
In het bestreden besluit handhaaft de staatssecretaris de afwijzing, stellende dat ondanks het bestaan van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, het belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eisers bij gezinshereniging in Nederland. Eisers betwisten dit en wijzen op objectieve belemmeringen voor terugkeer naar Jemen en het ontbreken van verblijfsrecht elders.
De rechtbank toetst de belangenafweging vol en stelt vast dat de staatssecretaris alle relevante feiten heeft meegewogen, waaronder het paspoortbezit, de objectieve belemmering in Jemen, de minderjarigheid van de broertjes en zusjes ten tijde van de aanvraag, en de zelfstandigheid van referent. De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging een fair balance toont en dat de weigering van de mvv niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Wel veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar, vastgesteld op € 379,50, en tot vergoeding van griffierechten van € 184,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.