ECLI:NL:RBDHA:2022:1292
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken duurzame en exclusieve relatie
Eiser kreeg een verblijfsvergunning voor verblijf als gezinslid bij mevrouw A. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod op, omdat er sprake zou zijn van een schijnrelatie. Na bezwaar werd het inreisverbod en de intrekkingsdatum aangepast, maar de vergunning bleef ingetrokken vanaf 23 februari 2020, de datum van een adrescontrole waarbij bleek dat de relatie niet duurzaam en exclusief was.
Eiser voerde aan dat de relatie voortduurde en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet zelf de vreemdelingenpolitie te bevragen en eiser en referente niet te horen in bezwaar. Ook stelde hij dat de overgelegde foto’s onterecht werden afgewezen. De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht vertrouwen op het proces-verbaal van de politie en dat eiser onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
De rechtbank vond dat verweerder terecht aannam dat vanaf de adrescontrole geen duurzame en exclusieve relatie bestond, mede gelet op de verklaring van eiser tegenover de politie. De door eiser overgelegde aanvullende bewijsstukken overtuigden niet. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.