ECLI:NL:RBDHA:2022:12954
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding artikel 2:74 APV
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de burgemeester van de gemeente Westland beroep ingesteld tegen het besluit tot invordering van een dwangsom van € 5.000,- wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), dat het dealen van drugs op straat verbiedt.
De burgemeester betwistte de bevoegdheid van de burgemeester om de last onder dwangsom op te leggen en stelde dat niet aannemelijk was gemaakt dat er sprake was van drugshandel. De verweerder stelde dat het dwangsombesluit in rechte vaststaat en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn om het bezwaar alsnog te honoreren.
De rechtbank oordeelde dat uit de bestuurlijke rapportages blijkt dat de burgemeester op 28 november 2020 drugsdealactiviteiten heeft verricht. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel en passend beoordeeld. De rechtbank benadrukte dat invordering van verbeurde dwangsommen uitgangspunt is en dat slechts in bijzondere omstandigheden hiervan kan worden afgezien, welke hier niet aanwezig zijn.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.H. Smits op 6 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV is ongegrond verklaard.