ECLI:NL:RVS:2022:2555
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens niet-melden leegstand pand in Amsterdam
Appellante is sinds oktober 2012 eigenaar van een pand in Amsterdam waarvan de bovenste twee bouwlagen als woonruimte dienen. De gemeente constateerde dat het pand niet bewoond was maar verbouwd werd en stelde vast dat appellante niet had voldaan aan de meldplicht voor leegstand zoals voorgeschreven in artikel 3, eerste lid, van de Leegstandsverordening Amsterdam 2016.
Het college legde op 21 augustus 2017 een last onder dwangsom op van €10.000,- om binnen vier weken melding te maken van de leegstand. Daarnaast werd een bestuurlijke boete van €5.000,- opgelegd. Appellante stelde dat er geen sprake was van leegstand maar van renovatie en dat de meldplicht pas geldt bij leegstand langer dan zes maanden, terwijl op het moment van oplegging slechts vier maanden waren verstreken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overweegt dat de meldplicht geldt ongeacht de reden van leegstand, inclusief renovatie, en dat het niet-ontvankelijk verklaren van bezwaar tegen de last onder dwangsom onherroepelijk is. Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval dat afwijkt van de hoofdregel dat in de invorderingsprocedure geen nieuwe gronden kunnen worden aangevoerd.
De combinatie van de boete en de invordering van de dwangsom wordt niet in strijd geacht met het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.