Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
wist dat hij asiel had aangevraagd in Roemenië;
Roemenië te houden;
de IND heeft gehad;
medicatie gebruikt;
aandoen;
nietgenoegzaam heeft gemotiveerd dat de zware grond 3k aan de maatregel ten grondslag mocht worden gelegd. In de maatregel is ter onderbouwing gewezen op de diverse verklaringen die eiser heeft afgelegd en waaruit zijn houding ten aanzien van de overdracht blijkt. Eiser heeft aangegeven dat dit een selectieve weergave is van de verklaringen die hij heeft afgelegd. De rechtbank kan eiser hierin volgen omdat in de maatregel alleen is weergegeven welke verklaringen deze grond onderbouwen en niet is weergegeven dat eiser op andere momenten ook heeft verklaringen heeft afgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiser zich niet zal verzetten en uiteindelijk zal medewerken aan de feitelijke overdracht. Niet duidelijk is of enig gewicht is toegekend aan deze verklaringen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat ter motivering van deze grond niet is verwezen naar de verklaringen die eiser heeft afgelegd in het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel en zoals die hiervoor zijn weergegeven.
kunnenonttrekken. Deze omstandigheid doet dan ook niet af aan de verklaringen die verweerder aan zijn motivering ten grondslag heeft gelegd.
7. De staatssecretaris heeft er ter zitting van de Afdeling terecht op gewezen dat in het dossier, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel indicaties te vinden zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat de vreemdeling niet aan de overdracht zal meewerken of deze zal frustreren. Hij heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat de vreemdeling in de vertrekgesprekken van 22 juli 2021 en 4 augustus 2021 heeft verklaard niet naar Italië terug te willen keren omdat hij daar geen goede medische behandeling heeft gehad en hij daarom geen toestemmingsverklaring ten behoeve van een medische overdracht zal ondertekenen en dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij niet mee zal werken aan een coronasneltest. Dit heeft de staatssecretaris alleen, zoals hij ter zitting van de Afdeling ook heeft erkend, niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593, mag de staatssecretaris de voor inbewaringstelling van een vreemdeling vereiste motivering niet pas na de oplegging van de maatregel van bewaring kenbaar maken.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.