ECLI:NL:RBDHA:2022:13326
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf vanwege onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Eiser verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familielid van een in Nederland verblijvende referente, zijn zus. Verweerder wees de aanvraag af omdat de identiteit van eiser en zijn familierechtelijke relatie met de referente en zijn biologische ouders niet voldoende was aangetoond. Daarnaast woog verweerder het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan dat van eiser, mede vanwege het ontbreken van een geldige toestemmingsverklaring van de vader van eiser.
Eiser betwistte dit en overlegde onder meer een overlijdensakte en verklaringen van derden om het overlijden van zijn vader aan te tonen. Verweerder liet een deskundigenonderzoek uitvoeren dat concludeerde dat de overlijdensakte waarschijnlijk niet authentiek is. Ook andere stukken konden het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet compenseren. De rechtbank oordeelde dat verweerder geen integrale beoordeling had gemaakt zoals vereist door de jurisprudentie, maar dat dit niet tot vernietiging van het besluit leidde vanwege het subsidiaire standpunt en de belangenafweging.
De rechtbank vond dat verweerder de belangen zorgvuldig had afgewogen en dat het besluit in het nadeel van eiser mocht uitvallen. Het ontbreken van een geldige toestemmingsverklaring en het risico op onttrekking aan ouderlijk toezicht waren doorslaggevend. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd vrijgesteld van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.