ECLI:NL:RBDHA:2022:135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
NL21.18073
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 7 UitvoeringsverordeningVerordening 1560/2003
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening was vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat door Duitsland was geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel, en dat hij de mogelijkheid moest krijgen om op eigen initiatief naar Duitsland te vertrekken. De rechtbank overwoog dat de wet en jurisprudentie geen verplichting opleggen om een vreemdeling de mogelijkheid te bieden tot vrijwillige overdracht, zeker niet als de Duitse autoriteiten vrijwillige terugkeer niet accepteren.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet onterecht de mogelijkheid was onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht en dat het beroep kennelijk ongegrond was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18073
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb1 uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [Geb. datum] 1993.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, Vw2. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening3 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiser moet de mogelijkheid worden geboden om op eigen initiatief naar Duitsland te vertrekken4.
1. Algemene wet bestuursrecht.
2 Vreemdelingenwet 2000.
3 Verordening (EU) nr. 604/2013.
4 Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening (Verordening 1560/2003 in samenhang met Verordening 118/2014) en punt 24 van de considerans van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De Afdeling5 heeft geoordeeld dat de wijzen van overdracht als genoemd in artikel 7 van Pro de Uitvoeringsverordening niet in de bepaalde rangorde tot elkaar staan. Verweerder is dus niet verplicht een vreemdeling de gelegenheid te bieden voor een overdracht op eigen initiatief. Deze verplichting kan evenmin worden afgeleid uit punt 24 van de considerans van de Dublinverordening. De Uitvoeringsverordening gaat uit van samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de overdracht.
5. In het geval van eiser hebben de Duitse autoriteiten medegedeeld dat zij geen vrijwillige terugkeer accepteren. Verweerder heeft daarom eiser niet ten onrechte de mogelijkheid onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht. Wat eiser aanvoert over het gebrek aan redenen voor een gecontroleerde overdracht, doet hier niet aan af. Evenmin slaagt het beroep van eiser dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn belangen hierover naar voren te brengen.
6. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
5 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2162.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.