ECLI:NL:RBDHA:2022:1363
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van overdrachtsbelasting en discriminatieverbod bij verkrijging onroerende zaak na faillissement
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van een onroerende zaak na faillissement van een vennootschap. Zij stelt dat de heffing leidt tot discriminatie op grond van rechtsvorm en dat de vrijstelling voor bedrijfsopvolging onrechtvaardig beperkt is tot bloed- en aanverwanten.
De rechtbank overweegt dat het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro niet iedere ongelijke behandeling verbiedt, maar alleen die zonder redelijke en objectieve rechtvaardiging. De rechtbank stelt vast dat eiseres slechts een deel van de activa heeft verkregen en niet de gehele onderneming, waardoor geen sprake is van gelijke gevallen. Daarnaast is de beperking van de vrijstelling tot familieleden door de wetgever met een legitiem doel gemotiveerd, namelijk het voorkomen van versnippering van het ondernemingsvermogen.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad dat deze beperking niet in strijd is met het discriminatieverbod. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt dat de overdrachtsbelasting terecht is voldaan. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de overdrachtsbelasting is terecht voldaan.