Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam vader], vader,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
fair balancetussen enerzijds het belang van eisers en referent bij het uitoefenen van gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Uit de belangenafweging blijkt dat verweerder in het voordeel van eisers weegt dat [minderjarigen tijdens aanvraag] in ieder geval ten tijde van de aanvraag minderjarig waren. Verweerder gaat er verder van uit dat referent een sterke band heeft met zijn ouderlijk gezin. Daarnaast onderkent verweerder dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Verweerder weegt ook in het voordeel van eisers dat niet is gebleken dat hun eventuele verblijf in Nederland een risico voor de openbare orde zou vormen. Verweerder heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht hij aan deze omstandigheden toekent en waarom, in dit geval, het economische belang van de Nederlandse staat prevaleert. Verweerder stelt weliswaar dat betekenis toekomt aan het feit dat sprake is van een objectieve belemmering maar verzuimt toe te lichten waarom deze, op zichzelf dus belangrijke vaststelling, desondanks niet op kan wegen tegen het door verweerder gestelde belang. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat verweerder hoofdzakelijk in het nadeel van eisers meeweegt dat referent inmiddels meerderjarig is en in staat is om zich zelfstandig, zonder de hulp van zijn ouders, staande te houden. Verweerder overweegt ook dat op dit moment invulling wordt gegeven aan het gezinsleven op een manier die referent vanuit Nederland verder kan voortzetten, namelijk door te bellen en via digitale kanalen. Verweerder gaat er echter aan voorbij dat deze omstandigheden logischerwijze het gevolg zijn van tijdsverloop. Het kan referent bezwaarlijk worden aangerekend dat hij in de loop der jaren (jong)meerderjarig is geworden en werk heeft gevonden waarmee hij zichzelf kan onderhouden. Daarbij komt dat verweerder tegelijkertijd heeft overwogen dat er een economisch belang is om aan eisers verblijf in Nederland te onthouden, nu het inkomen van referent te laag is om ook het levensonderhoud van eisers te kunnen bekostigen. Verweerder heeft bovendien niet onderkend dat de aanleiding voor het tijdsverloop niet in overwegende mate aan eiser kan worden toegerekend, nu deze was gelegen in zowel de veiligheidssituatie in Eritrea als de duur van de procedure. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het enige tijd heeft geduurd voordat referent opnieuw om gezinshereniging met eisers heeft verzocht, maar nu dit, zoals in de aanvraag is toegelicht, nog steeds verband hield met de veiligheidssituatie in Eritrea en verweerder dat niet heeft bestreden, komt daar beperkte betekenis aan toe. De rechtbank benadrukt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat referent zich vanaf het moment van inreis in Nederland heeft ingespannen om te worden herenigd met zijn gezinsleden en dat hij op dat moment minderjarig was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze voorgeschiedenis onvoldoende kenbaar bij zijn belangenafweging betrokken.
“
Ik wil dat graag verduidelijken. Het is niet zo dat ik twijfel aan de identiteit of de door u gestelde familierechtelijke relatie, maar nader onderzoek is normaliter het sluitstuk, als er geen reden is om de aanvraag verder af te wijzen. Dat is wat ik heb willen aangeven in mijn besluit op uw bezwaar.”
Ook stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van contra-indicaties en dat niet in geschil is dat eisers en referent een biologisch kerngezin vormen. Tegen die achtergrond heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de integrale beoordeling niet in het voordeel van eisers uitvalt en waarom, mede gelet op de uitlatingen van verweerder tijdens de hoorzitting in bezwaar, niet nu al, zonder nader onderzoek, kan worden overgegaan tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar uitdrukkelijk een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de vraag of tussen eisers en referent sprake is van beschermenswaardig gezinsleven, maar dat uit het bestreden besluit zelf en de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat dit voorbehoud slechts geldt voor zover de identiteit en de familierechtelijke relatie niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Anders gezegd: indien geen twijfel (meer) bestaat over de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie met referent, is het beschermenswaardig gezinsleven voor verweerder gegeven. Die uitleg past ook bij de overweging in het (vernietigde) besluit op bezwaar van 20 januari 2021 dat het beschermenswaardig gezinsleven tussen eisers en referent niet in het geding is. Voor zover nader onderzoek naar de identiteit en de familierechtelijke relatie wel is aangewezen, heeft verweerder dat ten onrechte niet aangeboden, nu - zoals hiervoor is overwogen - verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt.