ECLI:NL:RBDHA:2022:13880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Denemarken volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Denemarken ingediend, dat werd aanvaard.
Eiser betoogde dat hij niet aan Denemarken mocht worden overgedragen vanwege een fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid, waardoor hij risico zou lopen op indirect refoulement naar Syrië. Hij verwees naar een recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter en stelde dat zijn asielvergunning in Denemarken was ingetrokken zonder mogelijkheid tot rechtsmiddel.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan de bewijslast om aannemelijk te maken dat er een evident en fundamenteel verschil bestaat in het beschermingsbeleid tussen Denemarken en Nederland. De overgelegde stukken boden onvoldoende algemene informatie om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.