ECLI:NL:RBDHA:2022:13973
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en negatieve belangenafweging
Eiseres, een Iraakse vrouw geboren in 1955, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige zoon, zijn partner en kleinkinderen in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat tussen eiseres en haar zoon sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hoewel eiseres lichamelijke en psychische klachten heeft en afhankelijk zou zijn van haar zoon, oordeelde verweerder dat zij zelfstandig kon functioneren en dat andere familieleden in Irak ook zorg konden bieden.
Eiseres voerde aan dat haar gezondheidssituatie, haar analfabetisme en de moeilijke omstandigheden van haar andere kinderen in Irak maakten dat zij niet zelfstandig kon functioneren zonder haar zoon. Zij stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en de belangen van haar kleinkinderen. De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond, mede omdat eiseres na vertrek van haar zoon zelfstandig kon functioneren en er geen concrete medische noodzaak voor mantelzorg was aangetoond.
Daarnaast voerde verweerder een belangenafweging uit op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij het belang van eiseres en haar familie werd afgewogen tegen de economische belangen van de Nederlandse staat. De rechtbank vond dat deze afweging terecht in het nadeel van eiseres uitviel, mede vanwege het ontbreken van een bijzondere band met Nederland en het risico dat eiseres ten laste zou komen van de algemene middelen.
De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met alle omstandigheden, waaronder de belangen van de kleinkinderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en een negatieve belangenafweging.